In een klein stationnetje
’s morgens in de vroegte
stonden zeven wagentjes
netjes op een rij
‘k Zag het machinistje
draaien aan het wieleke
Ake ake tuut tuut
weg zijn wij
Op een grote paddestoel
rood met witte stippen
zat kabouter Pinnenmuts
heen en weer te wippen
Krak zei de paddestoel
met een diepe zucht
Allebei de beentjes
vlogen in de lucht